2020-12 – Engelengeduld

Het is één van de vruchten van de Geest…. geduld. Paulus schrijft erover in zijn brief aan de Galaten. En ook in de brief aan de Colossenzen kun je er over lezen. Over de oude mens achter je laten en de nieuwe mens ‘aantrekken’ en je vanwege Gods liefde dan kleden in innig medeleven, in goedheid, bescheidenheid, zachtmoedigheid en geduld.

Geduld dus.
Een schone zaak noemen we het. Daarmee zeggen we ook dat we het eigenlijk wel een positieve eigenschap vinden. En het suggereert ook dat als je rustig kunt wachten je later zeker beloond zult worden.

Ik denk dat geduld in onze samenleving, onze wereld, aardig onder druk staat. We zijn daar niet meer zo goed in. Vooral niet als het gaat om ons eigen welzijn of ons eigen geluk. Of om onze vrijheid om zelf te bepalen wat we wel en niet doen. Waar we naar toe gaan, met wie en wanneer. In een wereld waarin bijna alles direct voorhanden is, waarin we volledig vrij zijn om iets te vinden of iets te zeggen, waarin we mogen zijn wie we willen zijn, waarin de keuze reuze is en we op de bank onze bestellingen plaatsen – daar worden we snel ongeduldig als iets ons te lang duurt, niet direct leverbaar is, op zich laat wachten. Als we te lang niet mogen doen wat we willen.

Als je het woord even opzoekt in het woordenboek, dan lees je als synoniemen: volharding en lijdzaamheid. Geduldig zijn betekent dat je veel dulden kunt, veel kunt verdragen. Dat je veel kunt lijden ook. En weet van volhouden.
Dat zijn dingen die je moet leren. Dat gaat de meeste mensen niet vanzelf af. Als je jong bent en vol levenslust zit, de wereld het liefst naar je hand wilt zetten, dan past geduldig zijn maar moeizaam. Maar gevormd door het leven, gevormd door hier en daar een tegenslag of teleurstelling, leer je als mens ook geduld te hebben. Omdat je bent gaan begrijpen dat je niet alles in de hand hebt of naar je hand kunt zetten. Omdat er veel is waar je eigenlijk maar heel beperkt invloed op hebt.

Toch kan het steeds weer gebeuren: dat je geduld op de proef wordt gesteld. Dat het lang duurt voor het licht weer aan kracht begint te winnen. Dat je niet veel meer kunt doen dan bidden. Michel van der Plas gaf er prachtig woorden aan met een lied dat klinkt als een gebed. Je kunt het vinden in het nieuwe liedboek (259). Een lied dat aan het begin van de Adventstijd ons verlangen naar het feest van Licht aanwakkert en ons voedt met engelengeduld.

Zend ons een engel in de nacht als alles ons een raadsel is,
als ons de zekerheid en kracht ontvallen in de duisternis.

Zend ons een engel ieder uur dat ons ontvoert van U vandaan, wanneer wij voor de blinde muur van uw geheime plannen staan.

Zend ons een engel met uw licht
in onze slaap, de metgezel
die troost brengt met het vergezicht van God met ons, Emmanuel.

Zend ons in hem de zekerheid dat U ons zelf bezoeken zult
en bij ons wonen in uw tijd,
en leer ons wachten met geduld.
(Michel van der Plas)

Goede gezegende dagen van Advent!
ds. Marianne Paas Feenstra

Dit artikel verscheen in Onderweg 22e jaargang, editie 12 (december 2020)