2020-11 – Terug naar de bron

Een tijd geleden alweer was ik een dagje in Heiloo. Vriendinnenbezoek. We wandelden over Landgoed Willibrordus en liepen ook even rond bij het Julianaklooster. Daar bevindt zich een bedevaartsoord, Onze Lieve Vrouwe ter Nood. En op deze plek bevindt zich een bron, de Runxput. Ik was daar al eerder geweest. En nu was ik daar opeens weer, terug bij de bron.

De Runxput
Van het water daar wordt gezegd dat het heilig is. Volgens de overlevering gaat de geschiedenis van dit heiligdom terug tot het einde
van de 14e eeuw. In die tijd vond een boer een Mariabeeld op zijn
land. Hij nam het mee naar huis, maar op wonderbaarlijke wijze
keerde het beeld terug naar de plek waar het gevonden was. Rond diezelfde tijd raakte een schipper op zee in nood, ter hoogte van Heiloo. Hij bad tot God en hoorde boven het gebulder van de storm uit een heldere vrouwenstem die zei: ‘Als ge mij gaat eren zal de wind gaan keren’. Die beide verhalen kwamen bij elkaar en er werd een genadekapel gebouwd bij de bron. Door de eeuwen heen bleef die plek aantrekkingskracht houden voor pelgrims.

Als ge mij gaat eren, zal de wind gaan keren.
Met Mariaverering hebben wij protestanten eigenlijk niet zo veel. Toen ik jaren geleden voor het eerst bij deze bron kwam
en de tekst zag geschreven boven de poort van de voorhof die daar nu gebouwd is, kende ik het verhaal erachter niet. Ik wist niet dat het de stem van Maria was, die ik daar had moeten horen. Ik had het in eerste instantie verstaan als de stem van God zelf. Een stem vol belofte. Een intrigerende stem, met een oproep die zeker ook vragen oproept. Want tegenwind, daar kunnen we allemaal wel een keer van meepraten. Soms stormt het werkelijk in je leven. En houdt de storm maar aan in een hele samenleving, in de wereld. Soms verlang je er echt naar, dat de wind gaat liggen of dat je eindelijk de wind eens in de rug mag voelen. Wind méé in plaats van tégen. Wat betekent dat dan, die stem die zegt dat ‘de wind zal keren, zodra je God zal eren’?

Maar als de wind niet keert…?
Dat is dus niet zo gemakkelijk. Om te beginnen draaien we het vaak om. Als de wind bijvoorbeeld nou eens niet keert, hebben we dan God niet goed genoeg of niet voldoende geëerd? Dan kan het ons onzeker maken. Of we belasten onszelf met een ongemakkelijk schuldgevoel. Wat moeten we dan doen? Het kan ook op een andere manier een vraag oproepen: wat als we God wel eren, maar de wind toch niet keert? Wat als je menselijkerwijs gesproken toch niet zult overleven? Dan kan het ons verdrietig maken, teleurgesteld misschien ook wel. Dan komt het er op aan, hoe blijf je dan staande in de storm? Ondanks de tegenwind?

Dan toch: terug naar de Bron…
Ik merk vaak dat mensen dan naar een andere verhouding met God toegroeien. In de stille eenzaamheid van het opboksen tegen de wind voltrekt zich soms een ander wonder. Teruggaan naar de Bron krijgt dan de grondtoon van overgave en van de vrede die alle verstand te boven gaat. En al lijkt de wind niet te keren, hij keert toch. Daarom ontroert dat lied me denk ik ook zo, dat een heleboel gelovige mensen uit allerlei kerken samen hebben opgenomen in deze corona-tijd: ‘U geeft rust’ (ik heb het al vaak in de diensten laten horen). Daarin zit die ene kernachtige zin die mij troost: ‘De storm herkent nog steeds Zijn stem’.

In deze laatste dagen van het kerkelijk jaar worden we daartoe uitgenodigd. Om terug te keren naar de Bron, om rust en vrede te vinden in de overgave aan God, die van begin tot aan het eind van ons leven wil zijn: ‘Ik zal er zijn voor jou’.

ds. Marianne Paas Feenstra

Dit artikel verscheen in Onderweg 22e jaargang, editie 11 (november-december 2020)