2019-11 – De leegte leeg laten

Een paar jaar geleden moest ik onverwacht afscheid nemen van mijn vader. Opeens stond ik zelf ‘aan de andere kant’, kreeg ik te maken met een uitvaartondernemer en een dominee die ons kwam begeleiden bij het afscheid. Opeens stond ik zelf aan het graf van iemand die ík beslist niet wilde missen. Opeens moest ik zelf mijn weg vinden in het verdriet en het gemis. Voor mij was de dood eigenlijk nog nooit eerder zo dichtbij geweest.

Boven de rouwbrief schreven wij een citaat van Dietrich Bonhoeffer. Mijn moeder bewaarde de tekst al jaren in een suikerpotje en nu kwam het er opeens uit en moesten we het gebruiken.

Afscheid nemen
is met zachte vingers
wat voorbij is dichtdoen
en verpakken
in goede gedachten der herinnering…

Ze waren er, de goede herinneringen, en nog altijd. Gelukkig. Maar in de eerste tijd na het overlijden hielpen ze nog niet echt. Omdat ze nog te veel overschaduwd werden door de pijn van het plotselinge gemis. Dat is zachter geworden, maar toch is er nog steeds zo af en toe de intense verbazing van het ‘niet meer’. Intussen ‘praat ik niet meer tegen een foto’, intussen overvalt me soms een weemoedigheid. ‘Goh pap, wat had ik je graag willen laten zien waar ik nu terecht ben gekomen….’. Ons erf heeft zijn naam gekregen: Willemshoeve.

Het is een lange weg om te gaan: afscheid moeten nemen van iemand van wie je houdt en verder leven zonder de nabijheid van diegene.

Deze maand loopt het kerkelijk jaar af. En op de laatste zondag zullen we gaan gedenken. Noemen we de namen van wie we missen. We branden een kaars, maken licht bij iedere naam. Om niet te vergeten. Om ons te laten troosten door het vuur dat nooit meer dooft. Om ons te verzoenen met het verlangen dat onvervuld zal blijven. Ida Gerhardt (1905-1997) bracht dat verlangen zo indringend onder woorden in het gedicht ‘De gestorvene’ (uit de bundel ‘De Slechtvalk’, 1966)

Zeven maal om de aarde gaan,
als het zou moeten op handen en voeten;

zevenmaal om die éne te groeten
die daar lachend te wachten zou staan.

Zeven maal om de aarde gaan.

Zeven maal over de zeeën gaan,
schraal in de kleren, wat zou het mij deren,

kon uit de dood die éne doen keren.
Zeven maal over de zeeën te gaan –
zeven maal, om met zijn tweeën te staan.

Het is goed om het verlangen en de leegte te voelen. Verdrietig, maar goed. Want het vertelt me ook dat ik leef. En dat ik door moet. Door wil. Ook al is er een lief mens weggevallen met wie je een stuk van je leven deelde. De leegte blijft en mag ook leeg blijven. Ik keer toch nog eens terug naar Dietrich Bonhoeffer. Zo mooi als hij het zegt zou ik het ook willen zeggen.

Als je van iemand houdt
en je bent door de dood van elkaar gescheiden,

dan is er op de wereld niets en niemand,
die de leegte van de afwezigheid kan vullen.

Probeer het maar niet, want het zal je nooit lukken.
Aanvaard liever het gemis dat je is overkomen.
Dat klinkt hard, maar het is ook een grote troost,

want zolang de leegte werkelijk leeg blijft,
blijf je daardoor met elkaar verbonden

Zeg niet: “God zal de leegte vullen”,
want – geloof me- dat doet Hij niet

Integendeel: Hij houdt de leegte leeg
en helpt ons om zo de vroegere gemeenschap

met elkaar te bewaren, zij het ook in pijn.
Hoe mooier en rijker de herinneringen,
des te moeilijker is het afscheid.
Maar dankbaarheid zal de pijn der herinnering

veranderen in stille vreugde.

De mooie dingen van vroeger
zijn geen doorn in het vlees,
maar een kostbaar geschenk,
dat je met je mee draagt.
Zorg dat je niet altijd
blijft graven in je herinneringen,
maar doe dat van tijd tot tijd.
Ook een kostbaar geschenk bekijk je niet aldoor,

maar alleen op bijzondere ogenblikken.
Buiten die ogenblikken is het
een verborgen schat, een veilig bezit.
Dus, droog je tranen en huil niet,
Als je van me houdt.”

ds. Marianne Paas Feenstra

Dit artikel verscheen in Onderweg 21e jaargang, editie 11 (november-december 2019)