2018-01 – Soepsteen

Ergens in een dorpje in de bergen voelden de mensen zich niet meer gelukkig. Vroeger was dat anders. Wanneer de zon van achter de bergruggen tevoorschijn kwam, gingen ze fluitend aan het werk. Maar nu keek iedereen sip en dacht alleen maar aan zichzelf. Iedereen dacht, dat er eten tekort was en daarom spaarde iedereen al het eten dat hij kon bemachtigen op in zijn kelder.

Op een dag kwam er een vreemde man in het dorp aan. Hij was slecht gekleed, was in dagen niet meer gewassen en zag er mager uit. Maar, hij had blinkende, fonkelende ogen en een gezicht dat altijd leek te lachen. “Waarom kijkt iedereen zo sip?”, vroeg de man. “We hebben honger en er is bijna niets te eten,” kreeg hij als antwoord. De vreemdeling krabde even in zijn stoppelbaard, zette zijn hoge hoed wat naar achter en dacht na. Opeens zei hij: “Ik zal voor jullie soep maken.” “Soep?”, vroegen de mensen, “en waarmee zouden we dan wel soep maken?” “Geen nood,” zei de man, “Ik heb een soepsteen bij me en daarvan maak je de lekkerste soep ter wereld.” De mensen van het dorp die het hoorden, konden hun oren niet geloven: een soepsteen, neen, daar hadden ze nog nooit van gehoord.

Het nieuws verspreidde zich als een lopend vuurtje in het dorp. “Maar ik heb wel een ketel water nodig,” zei de man. De mensen haalden een grote ketel met water en zetten die op het vuur. Met een groot gebaar haalde de man voorzichtig de soepsteen uit zijn zak en legde die in het water dat al begon te koken. Even later ging hij proeven. “Hmmmm…heerlijk,” zei de man. “Maar de soep zou nog iets beter zijn, als we er wat aardappelen bij deden; heeft er soms iemand een paar aardappeltjes?” Sommige mensen die hoopten om ook van de soep te mogen proeven, brachten hem een paar kleine aardappeltjes.
Na een tijdje proefde de man weer: “Prima!” zei hij, maar het zou nog beter smaken, als we er wat groenten bij deden. Wie enkele groenten kan missen, mag straks ook een bordje van mijn heerlijke soep.” Verlegen kwamen enkele bewoners met wat prei en selderij en een vrouw bracht een bosje worteltjes. Het begon al heerlijk te ruiken op het marktplein en steeds meer mensen kwamen kijken en snuffelen rond de grote soeppot.
“Ze is bijna klaar, maar als we er nu nog wat kruiden en wat zout zouden indoen, dan zal het de beste soep van heel de wereld zijn. Oh ja, en misschien heeft iemand ook nog een stuk soepvlees.” De dikke herbergier, die een echte smulpaap was, droomde al van een heerlijk bord soep en kwam met een groot stuk soepvlees aangezeuld. De geur van heerlijke soep vulde heel het dorp. Het duurde niet lang, of iedereen stond klaar met een bord en een lepel om van de heerlijke soep te proeven. Toen de soep klaar was, werd deze uitgedeeld en iedereen mocht er een bord van nemen, want iedereen had ook iets van zijn eigen voorraad gegeven.
Alle bewoners begonnen te smullen en te smakken. Zo’n heerlijke soep hadden ze nog nooit geproefd. En telkens kwamen ze weer om hun bord te vullen.
Iedereen voelde zich weer blij en je kon zien aan de mensen, dat ze er echt van genoten hadden. De speelman haalde zijn viool uit de doos en de mensen begonnen te dansen en te lachen. Het dorp was weer in vreugde.

“Het spijt me,” zei de vreemde man, “maar ik moet vertrekken.” Alle mensen vonden het jammer. “Maar de soepsteen mag je houden,” zei de man. “Om zulke lekkere soep te maken, moet je telkens doen, zoals je vandaag gedaan hebt: samen delen van wat je nog thuis hebt, zodat iedereen ervan kan genieten.” De mensen knikten en voelden zich dolgelukkig, dat ze de soepsteen mochten houden.
De man was blij, dat hij de vreugde in het dorp had teruggebracht.
En eventjes buiten het dorp bukte de man zich……Hij raapte een steen van de grond en stak die in zijn zak.

Corine Pater (jeugdwerk)

Dit artikel verscheen in Onderweg 20e jaargang, editie 1 (januari 2018)