2017-11 – Bewaar de namen

Enkele tientallen jaren geleden zijn mijn ouders gestorven. Mijn grootouders al veel eerder, ongeveer een halve eeuw geleden. Zij zijn gestorven, en dus kan ik hen niet meer opzoeken, hen niet meer spreken. Ook al zou ik hun nog best eens willen vertellen hoe het mij in al die jaren vergaan is. Maar dat zal niet gaan.

Zij zijn gestorven, – ik heb geen 06-nummer en geen e-mailadres van hen. (Die wondere uitvindingen zijn trouwens ook van ná hun tijd).

Zij zijn gestorven, – jawel. Maar . . . dood? Je bent pas écht dood als niemand je naam meer noemt.

Ik kén hun namen nog. Ik zie hun gezichten nog. Soms met moeite, maar toch. Soms denk ik nog aan hen. Soms praat ik óver hen, of in gedachten mét hen. Ik raak hen niet kwijt. Zij waren en zijn en blijven een deel van mijn leven.

Door ons bewaard – “Tot in het derde en vierde geslacht”
Twintig jaar geleden of vijftig jaar geleden gestorven en begraven: zand erover – uit!? Gestorven en gecremeerd: uitgestrooid of bijgezet – voorbij?! Het lichaam van een gestorven mens is niet zoiets als een leeg melkpak dat je gedachteloos in de vuilcontainer gooit. Zij of hij was een mens met kwaliteiten en tekortkomingen, met gevoelens en relaties, en met een naam waarmee zij of hij gekend werd. Die naam blijft ons bij, ook wanneer iemand is gestorven. Het noemen van die naam roept het beeld op van die ene unieke mens die bij die naam hoorde. Dat geldt uiteraard alleen voor diegenen die deze mens gekend hebben. En dus is het na een paar generaties voorbij.

Mijn grootouders heb ik gekend, maar van mijn overgrootouders ken ik de namen niet eens. En naar de andere kant: mijn kinderen en kleinkinderen kennen mijn naam, maar de generatie daarna? Dat is nu eenmaal onze menselijke maat: “tot in het 3e en 4e geslacht”.

Door God bewaard – “Tot in alle eeuwigheid”
Van velen is de naam ooit genoemd bij het begin van hun leven toen zij gedoopt werden. Tussen doopvont en paaskaars klonk ná hun naam de Naam van God, Vader, Zoon en heilige Geest. Een beloftevol begin van een mensenleven. Jij bent een kind van God, bij name gekend, bij name geroepen om te leven als een kind van het licht. Geroepen worden dat is iets persoonlijks. Daar is een naam voor nodig. Geroepen, dus Hij kent mijn naam. Probeer maar eens iemand te roepen van wie je de naam niet kent. Met alleen ‘hallo’ of ‘hé-daar’ bereik je niet veel. God kent mijn naam en Hij bewaart mijn naam.

Wanneer ik moet uitleggen hoe mijn naam bewaard wordt, dan kom ik niet verder dan de menselijke beeldtaal die in de Bijbel wordt gebruikt. Daarbij moet ik vooral niet vergeten dat het “beeld-taal” is. Alle spreken over “boven”  gebeurt met de woorden en beelden van “hier-beneden”. Een andere mogelijkheid hebben we niet.

Jesaja gebruikt het beeld van onze namen die geschreven staan in de palm van Gods hand, onuitwisbare namen, bewaard in Gods hand.

Het is heel makkelijk om bij zo’n beeld een verkeerde vraag te stellen, zoals : “Hoe groot mag die handpalm van God dan wel niet zijn voor miljoenen en miljoenen namen?” Geen zinnig mens die zo ’n vraag kan beantwoorden! Maar het beeld gaat ook over iets ánders dan de grootte van Gods hand. Het wil mij iets anders duidelijk maken. Namelijk: in Gods hand is ook een plek voor mijn naam. Kijk, daar word ik wijzer en rustiger van. U weet: in je handpalm schrijf je alleen datgene wat je absoluut niet mag vergeten. Anders gezegd: bij God is de gedachtenis van onze namen in goede handen. Voor Hem geldt ook niet de beperking van de menselijke maat van “tot in het 3e en 4e geslacht”. Hij gedenkt en bewaart “tot in alle eeuwigheid”, want het is onuitwisbaar.

“Heer, herinner U de namen”
Ieder van ons bewaart de namen van en herinneringen aan de mensen met wie zij of hij het leven gedeeld heeft. Van hun allernaasten allereerst en allermeest. Behalve die binnenste kring van mijn persoonlijke (familie-)relaties is er ook een buitenkring van mensen met wie ik samen de weg van het Woord probeer te gaan. Waar een kerkelijke gemeente meer is dan een optelsom van papieren leden; daar zullen de zusters en broeders samen een gemeenschap vormen van mensen die naar elkaar omzien. Die oog en hart hebben voor elkaars vreugde en verdriet. Ook in die kring mogen de namen van hen die gestorven zijn genoemd en bewaard worden. We mogen immers delen in elkaars leven en geloven.

Gestorven gemeenteleden worden als regel herdacht in de eerste kerkdienst na hun overlijden. We noemen de namen waarmee zij gekend waren bij God en mensen. In onze voorbeden gedenken we niet alleen hen, maar ook degenen die hun het naaste waren, en die hun namen zullen blijven noemen. Daarnaast kennen we het gezamenlijk gedenken op de laatste zondag van het kerkelijk jaar. Dan noemen we de namen van al diegenen die het afgelopen jaar gestorven zijn. Uit de kring van de kerkelijke gemeente allereerst, maar daarnaast ook uit onze familie- of vriendenkring. Dat zou op elke willekeurige zondag kunnen gebeuren. Maar we doen dat met goede redenen op de laatste zondag van het kerkelijk jaar. Dat is de “Zondag van de Voleinding”.  We horen over de toekomst van het Koninkrijk van God, waarin alles anders wordt: de hemel nieuw, en de aarde nieuw, en wij mensen nieuw.

Bovendien staat deze zondag op de drempel van de Adventstijd, en daarmee in het perspectief van het Licht der wereld dat is gaan schijnen in onze duisternis. Een beter moment en een zinvoller plaats kan ik mij niet indenken. We noemen de namen en steken vanaf de Paaskaars voor ieder een kaars aan, als symbool van het licht der wereld. We doen dat in het geloof dat hun namen bij God bewaard zijn, en door Hem bewaard worden “tot in alle eeuwigheid”.

In haar heel eigen beeldtaal omschrijft Hanna Lam het als volgt:

De mensen van voorbij
wij noemen ze hier samen.
De mensen van voorbij
wij noemen ze bij namen.
Zo vlinderen zij binnen
in woorden en in zinnen.
en zijn we even bij elkaar
aan ’t einde van het jaar.

De mensen van voorbij
zij blijven met ons leven.
De mensen van voorbij
zij zijn met ons verweven
in liefde, in verhalen,
die wij zo graag herhalen,
in bloemengeuren, in een lied
dat opklinkt uit verdriet.

De mensen van voorbij
zij worden niet vergeten.
De mensen van voorbij
zijn in een ander weten.
Bij God mogen zij wonen,
daar waar geen pijn kan komen.
De mensen van voorbij
zijn in het licht, zijn vrij.

(Uit: Hanna Lam: ‘Met andere woorden’)

Troost
Vroeg of laat komt de dag dat ik zal sterven. Ben ik dan dood? Welnee! Mijn naam wordt immers bewaard door wie mij gekend hebben. Als zij er niet meer zijn om mijn naam te noemen: ben ik dán dood? Welnee! Mijn naam wordt immers bewaard door God. Door Hem die mij gekend heeft en die mij kent tot in alle eeuwigheid.

ds. Wopke Nawijn

Dit artikel verscheen in Onderweg 19e jaargang, editie 11 (november-december 2017)
Oorspronkelijk verschenen in Kerkblad Protestantse Gemeente Assen, 13 november 2008